donderdag 18 februari 2010

KOLONEL PHILIP J. CORSO SR. US ARMY Getuige in het ‘Disclosure Project’

KOLONEL PHILIP J. CORSO SR. US ARMY
Getuige in het ‘Disclosure Project’
Onze dank gaat uit naar James Fox voor het delen van deze getuigenis


Kolonel Philip J. Corso, Sr. was een inlichtingenofficier in het leger en diende bij de National Security Council van president Eisenhower. Na zijn 21-jarige militaire carrière diende hij als een militaire analist. Kolonel Corso zag persoonlijk overleden buitenaardsen van de Roswell-crash die plaatsvond in 1947 en een UFO-vaartuig op een luchtmachtbasis. Hij heeft ook UFO’s op radar gezien die met een snelheid van 4000 mijl per uur vlogen. Toen hij op R&D (onderzoek en ontwikkeling) werkte, werden hem materialen gegeven afkomstig van buitenaardse technologie die vergaard waren na diverse crashes. Zijn taak was om deze technologie (ongemerkt) in de industrie te verwerken door die te vertellen dat het afkomstig was van buitenlandse bronnen.

Kolonel Philip J. Corso, Sr.: Deze buitenaardsen zijn een andere intelligentie, ze zijn ons ver vooruit en zij hebben dat om een simpele reden bewezen – zij kunnen door de ruimte reizen en wij niet. Zo simpel is het. Hoe krijg je dat voor elkaar? Daar weten wij niets vanaf, dus moeten we beginnen bij wat we wel weten. Het kleine beetje wat we weten is de grootste gift die ze ons gegeven hebben – de buitenaardsen, niet de hardware.

Het voertuig dat ik zag was op één van de luchtmachtbases. Ik ga niet vertellen welke het was, maar het was daar en dat is het. Daar ga ik niet dieper op in. Ik had een hoop informatie over wat er binnenin het voertuig zat en ik zou er niets meer door te weten komen als ik erin zou stappen, dus dat heb ik ook niet gedaan. Ik had tekeningen over hoe het er allemaal uitzag, ik had alles wat daarin zat. Echt waar, het zou enkel uit nieuwsgierigheid zijn als ik er toch in zou stappen en in die dagen had ik geen tijd voor een dergelijke nieuwsgierigheid.

De buitenaardse, hij is een beetje anders. Hij is samengesteld uit cellen, net zoals de mens. En het voertuig is zoiets als een biologische structuur, omdat de buitenaardsen erin pasten. Bedenk dat zij die dergelijke klonen, deze wezens, maakten, zij ze zo maakten dat ze altijd pasten in structuren waarin ze moesten functioneren. Het schip zelf is een biologische structuur.

Welnu, toen dat wezen in deze wereld kwam, droeg het een pak, een nauwsluitend pak en dat hebben we ook gevonden. Zijn huid is atomisch uitgelijnd en dat is ook zijn pak. Dat is om weerstand te bieden tegen straling en andere schadelijke effecten – zelfs kosmische straling. Omdat hij geen zuurstof inademt, degene die levend werd gevonden, droeg hij een bepaald type helm. Hij heeft geen stembanden omdat hij niet hoeft te praten, hij heeft iets dat een overbrenging kan versterken zodat hij kan communiceren.

Ik zal daar wat meer over vertellen. Ik was in 1947 niet in Roswell. In 1947 was ik net terug uit Italië waar ik hoofd van de beveiliging voor de inlichtingendienst was en ik werkelijk in de inlichtingenbusiness getraind werd, ik werd in wezen opgeleid door de Britten. Ik was een MI-19. Toen ik terugkwam ging ik naar Fort Riley, Kansas. Daar werd ik gestationeerd. Ik was er een instructeur op de inlichtingenopleiding en we hadden er een aanvalseenheid.

Op een nacht was ik eerste wachtofficier, dat hield in dat ik de leiding had en de andere wachten moest controleren, alle beveiligde gebieden, ik controleerde de gehele post. Ik ging ook naar de veterinaire afdeling en een hoofdsergeant die ik zeer goed kende had die nacht de leiding over de wacht daar. Ik vroeg hem hoe het ging en hij antwoordde: “Goed, meneer.” Ik vroeg: “Ze hebben mij verteld deze afdeling goed te bewaken omdat je iets zeer gevoeligs hebt hier.” Hij zei: “Wilt u het zien meneer?” Ik vertelde hem dat ik dat wilde en hij zei: “Ga maar kijken.”

Ik ging naar achteren en daar stonden vijf kisten, vijf of zes, maar ik denk vijf. Ik lichtte van één het deksel op en daar lag een lichaam in vloeistof in. Ik keek er zo’n 10 tot 15 seconden naar, niet langer en ik lag het deksel weer op zijn plaats en zei: “Sergeant, ga hier onmiddellijk weg, ik wil niet dat je moeilijkheden krijgt. Ik ben het hoofd van de wacht en ik kan hier rondlopen, maar jij kunt wellicht moeilijkheden krijgen door hier te zijn. Ga met me mee naar buiten.” Hij ging met mij mee en ik vroeg hem waar ze vandaan kwamen. Hij zei: “Nou ja, er kwamen vijf vrachtwagens vanuit New Mexico en ze waren op weg naar de Wright Patterson luchtmachtbasis.”

Nu moet je niet vergeten dat in die dagen Route 40 de enige dwars door het land lopende route was en die liep ook precies langs Fort Riley, Kansas en door naar Wright Patterson. Ik vertelde hem dat hij daar weg moest blijven, omdat ik niet wilde dat hij moeilijkheden zou krijgen en toen begon ik uit te zoeken wat dat nou kon zijn. Ik dacht eerst aan een kind, omdat het zo klein was, toen keek ik naar het hoofd en dat duurde maar een paar seconden en ik liet het deksel weer zakken. Het hoofd was afwijkend, de armen waren dun, het lichaam was grijs, dus op dat moment maakte ik uit dat ik niet wist wat dit ding was. In de inlichtingdienst kon ik het beter achter in mijn hoofd opslaan en wachten of ik ooit in de toekomst iets zou tegenkomen wat er mee overeen kwam en ik er dan de betekenis van kon bepalen. Ik dacht er dus verder niet meer over na.

Tien jaar later zat ik op Commando Range in New Mexico, op White Sands op de militaire rakettestbasis, exact naast de Trinity basis wat mijn hoofdkwartier was. Op mijn eigen radar pikte ik stukken op die met 3000 tot 4000 mijl per uur door dit gebied vlogen. Ooit lichtte ik het hoofdkwartier erover in, ze zeiden: “Vergeet het, wij zijn niet geïnteresseerd.” Dus nam ik mij voor hen nooit meer iets te vertellen. Telkens als er zoiets voorviel gaf ik de order aan de mannen om mij de banden te brengen. Al mijn computers hadden een band waarop het gehele afvuurproces stond, die we konden controleren als er iets fout was gegaan. Dus droeg ik hen op die aan mij persoonlijk te overhandigen.

Na die periode ging ik naar Duitsland en daar pikte ik dezelfde dingen op radar op. Ze vlogen met een snelheid van 3000 – 4000 mijl per uur over Duitsland. Alweer kreeg de radar een lock-on en al die dingen (UFO’s) braken daar uit.

Toen zat ik vier jaar op het Witte Huis en kreeg ik daarover ook rapportages, maar het waren slechts rapportages. Ik had alle bevoegdheden, dus kreeg ik die rapporten, zelfs gecodeerde rapporten kreeg ik. Ik kreeg zelfs een keer een rapport waarin stond dat de NSA signalen vanuit de ruimte had ontvangen, niet zomaar wat achtergrondgeluid, of onlogisch, of iets onbegrijpelijks, het zag er allemaal perfect uit en het leek alsof iemand een echte boodschap afleverde. Maar we waren niet in staat om het werkelijk te decoderen. Het was een zeer coördinatief opgestelde boodschap, het was zeer zeker geen gebrabbel.

(Zie ook de getuigenis van John Maynard en A.H. S.G.)

Het was een patroon. De beoordeling was dat het mogelijk afkomstig was van wezens in de ruimte en ik had dat rapport ook in het Witte Huis, omdat ik de NSA-bevoegdheden daartoe had.

Toen kwam ik weer terug bij het leger en generaal Trudeau haalde mij binnen. Hij had een afdeling Onderzoek & Ontwikkeling in het leven geroepen. Toen ik daar begon was ik een speciale assistent. Toen creëerde hij, ongeveer een week later, de Foreign Technology Division en zette mij aan het hoofd daarvan. Daar begon ik autopsierapporten op buitenaardsen te ontvangen en kreeg ik andere rapporten over crashes en ik kreeg de geborgen overblijfselen van die crashes. Tevens bezocht ik de plaats hier (nabij Roswell) een paar maal.

Toen ik bij Onderzoek & Ontwikkeling kwam kreeg ik alle overblijfselen mee en ook de autopsierapporten van het Walter Reed Hospital. Op Walter Reed hadden ze een laboratorium wat in feite van ons was, omdat wij ervoor betaald hadden. Dat laboratorium deed de autopsies voor ons, maar we lieten er geen kopieën achter. Alle kopieën moesten naar ons, omdat het ons laboratorium was. Het was daar dat we het bewijs vonden dat een crash werkelijk had plaatsgevonden.

Natuurlijk heb ik het gedurende 35 jaar stil gehouden, ik had een afspraak met de generaal. Mijn zoon zei: “Je hield het 35 jaar geheim en je vertelde er zelfs je familie niets over?” Ik vond dat ik er niemand iets over kón vertellen. De generaal vertelde mij het geheim te houden, maar hij verloste mij van die eed als hij zou overlijden. Drie jaar geleden overleed de generaal en begon ik alles op papier te zetten. Mijn kleinkinderen vroegen mij wat ik tijdens de oorlog had gedaan en ik dacht dat ik hen beter een blijvende nagedachtenis kon geven. Ik had niet het idee een boek te schrijven, maar uiteindelijk ontwikkelde het zich en ontstond er toch een boek. Dus daarin staan de achtergronden en zoals ik al zei, ik beschikte over bewijs dat er hier inderdaad een crash voorviel.

Wilbur Smith was een genie en de overheid behandelde hem werkelijk heel slecht. Het was de bedoeling dat ik samen met hem naar zijn laboratorium zou gaan, omdat de generaal hem dat had opgedragen, hij had gezegd: “Smith, jij en de kolonel hebben een hoop om over te praten. Ik zal de kolonel naar jou toesturen en hem je laboratorium in Lake Ontario laten bezoeken.” Nou ja, ik stelde het steeds uit, maar in 1962 besloot ik toch te gaan. Ik belde en toen vertelden zij mij dat mr. Smith was overleden aan de gevolgen van kanker, dus ben ik nooit in zijn lab geweest. Hij gaf ons wel een stuk metaal dat hij had en afkomstig was van een vliegende schotel. We wisselden metalen monsters uit (van gecrashte UFO’s) en hij bracht de onze later terug.

Aan de regering zou ik willen zeggen: “Het gebeurde, geef deze informatie aan de jonge generatie van de wereld, zij willen het horen, zij willen het hebben, geef het aan hen. Verberg het niet en vertel geen leugens en verzin geen verhalen, zij zijn niet achterlijk. Het zijn geen jonge mensen die in paniek zullen raken.” In feite is mijn eigen neef directeur onderzoek bij de DECO corporatie. Hij belde mij en vroeg mij: “Oom Phil, waarom vertellen ze ons niet de waarheid? Wij zullen heus niet in paniek raken en ons de haren uit het hoofd trekken.”

Een goed voorbeeld hiervan is, een voorbeeld dat ik altijd aanhaal om te bewijzen wat ik bedoel, ik was commandant van een bataljon van 1500 man, een aanvalsbataljon en de gemiddelde leeftijd van mijn soldaten was 19 jaar. Ik vertelde mijn leidinggevende een keer: “Mijn God, wij zenden kinderen de oorlog in.” Deze kinderen vochten de zwaarste oorlogen uit, zij renden niet weg, ze raakten niet in paniek, ze stonden er en vochten. Dus waarom denk je dat mensen in paniek zullen raken? Ze willen deze informatie en ze hebben er recht op, het is hún informatie. Het behoort niet toe aan het leger of aan het Ministerie van Defensie, het is van het volk. Als het als geheim is geclassificeerd, haal dan die classificatie eraf en geef het ze.

Ik zeg altijd: “De regering is zo groot en zo uitgestrekt, dat als je het z’n gang laat gaan, het zichzelf zal bedekken.” Toen ik moest getuigen ten overstaan van de regering inzake vermiste oorlogsgevangenen, en niet zo heel lang gelden ook ten overstaan van het Lagerhuis, antwoordde ik op dergelijke vragen het volgende: “Kijk, het verbaast mij als generaal Skolcraft en Kissinger hierheen komen en uw heren vertellen dat er geen informatie over bestaat. Ik heb het hen namelijk persoonlijk toegestuurd vanuit Tokio gedurende een periode van twee jaar. Dus hoe kunnen zij zoiets zeggen?” En al die families die daar zaten wilden dat graag horen. Later deden we een onderzoek en vonden we het allemaal, het was zogenaamd kwijtgeraakt. De politici geven daar niet om, zij hebben hun eigen kleine ego en doen hun eigen kleine dingetjes om in de krant te komen. Als een oorlogsgevangene door zijn familie wordt vermist, dan geven die politici daar niet om. En als er geheimhouding daaromtrent plaatsvindt, dan doet niemand daar wat aan, het zal zichzelf wel bedekken en de gegeven zullen wel, zoals ik het uitdruk, ‘zoekraken’.

Wij hebben de CIA nooit vertrouwd, omdat in mijn tijd Stalin de orders gaf om informatie afkomstig van Roswell te verkrijgen en dat aan enkele van zijn topwetenschappers en agenten te geven.

Die order werd gegeven en wij van Special Intelligence (wat in feite ik was in het Pentagon) wisten ervan dat de KGB trachtte daartoe door te dringen, maar het lukte ze niet. We wisten dat Stalin zijn agenten hier over het hele gebied had zitten om te proberen informatie over Roswell te verzamelen en wij stonden daar en zetten ons voor gek door te verklaren dat het niet bestond, wij zeiden dat het een weerballon was. Zij dachten helemaal niet aan een weerballon, omdat ze aanwijzingen hadden dat het incident werkelijk was gebeurd.

(Zie ook de getuigenis van Gordon Creighton. S.G.)

Landen in Europa nemen dit wel zeer serieus. Zij zijn niet zoals ons. Zij gaan geen verhalen vertellen dat er dummy’s uit de lucht vielen of dat het gewoon mensen met grote hoofden waren. Die mensen zijn meer serieus dan wij zijn. Maar hier ben ik niet verbaasd over de reacties van mensen. Sommige zijn net als mij, ze vertellen gewoon niets, in het leger vertel je niets en geef je geen interviews en schrijf je geen boeken.

Wij gaven hen (de industrie) de informatie over de buitenaardse technologieën en drongen erop aan dat zij het patent erop kregen. Maar we vroegen er ook een klein beetje voor terug, geef ons er iets van terug, verdien er zoveel aan als je wilt, maar geef het ook aan het Amerikaanse volk en aan de rest van de wereld.

De Japanners interviewden mij en ik vertelde hen: “Toen wij de (computer) chip in het circuit brachten, gaven we hem ook aan jullie.”

Ik heb ten overstaan van zes regeringscomités getuigd en als ze het willen kom ik weer, tenminste als ze serieus zijn en ze het niet in de archieven opbergen, het simpelweg verbergen, ik wil er best heengaan en een senator of regeringsman helpen gekozen te worden.

Kijk er zitten een hoop stommiteiten in, laten we dat maar erkennen. Misschien is de kleine stommiteit van mij wel dat ik het zo lang heb stil gehouden, maar ik had een eed afgelegd aan de generaal dat ik niet zo praten zolang hij in leven was en drie jaar geleden overleed hij. Er waren ook andere mensen bij betrokken en zoals ik je al eerder vertelde, ik zal hun namen niet onthullen, tenzij zij zelf naar voren komen. Maar we hadden eigenlijk meer moeten doen.

Het hoofd van de buitenaardse was niet echt zo heel groot, maar in verhouding met het kleine lichaam leek het groot. Later, in 1961, kon ik de hand leggen op het autopsierapport, dat was toen ik het bevel over de Foreign Technology Division van het Walter Reed ziekenhuis kreeg. Van daaruit begon ik het allemaal samen te voegen. De kenmerken van het binnenste van het lichaam werden in het autopsierapport beschreven. Ze deden een autopsie en ze sneden zelfs de hersenen open. De hersenen waren anders, trouwens het meeste van het lichaam was anders – geen neus, geen mond, geen oren, geen stembanden en geen spijsverterings- en voortplantingsorganen. Dus kwamen we tot de conclusie dat het een hominoïde kloon was. Zoals ik al zei, toen ik het lichaam zag was er niets waar je op af kon gaan. Later kreeg ik het autopsierapport dat door de experts was opgemaakt, onze eigen experts.

Maar we hielden het voor ons, alleen enkele mensen wisten ervan, het ging slechts van persoon naar persoon, van brein naar brein, er kwam geen papierwerk aan te pas. We waren in staat iets tot stand te brengen. We hadden discussies met de Duitse wetenschappers (die na de Tweede Wereldoorlog via operatie Paperclip naar Amerika waren overgebracht).

Generaal Trudeau vertelde me op een dag: “Het vergde ons vijf jaar om de transistor volledig te ontwikkelen en de chip. Als we de hulp van mensen zoals Hermann Oberth en Wilbur Smith en van de ‘jongens daarboven’ niet hadden, dan had het ons 250 jaar gekost.”

Ik zou graag zien dat de boodschap in mijn boek door de jonge generatie wordt bekeken en dat ze inzien dat we hulp vanuit het heelal kregen en dat deze wezens bestaan. Laat de jonge mensen weten dat dát de toekomst wordt die zij zullen zien en waarmee zij zullen moeten leven. Ik denk dat dat de boodschap van mijn boek is en wat ik graag wil, is: laat de jonge mensen het hebben… wij zijn oud, wij verdwijnen straks, laat deze jonge mensen het weten… zij hebben deze hulp nodig, zij zullen het zijn die ermee door moeten gaan.

Nawoord ufowijzer
Zie ook de presentatie van Maurizio Baiata op ‘Google Video’ over Corso’s connecties met de Italianen. Maurizio Baiata toont in zijn presentatie delen van twee video-interviews die hij Corso afnam in de laatste jaren van Corso’s leven. Hoe zou je een man als Corso niet kunnen geloven, na het zien van dergelijke beelden?

Tevens een toch wel schokkende openbaring van de gastheer in zijn aankondiging van Maurizio Baiata op het ‘International UFO Congress 2006’ te Laughlin, USA over de bedreigingen aan het adres van Maurizio Baiata. Maurizio had verschillede malen schriftelijke bedreigingen ontvangen mocht hij naar Amerika komen om zijn lezing over Corso te geven. Uiteindelijk besloot hij toch te gaan, ondanks die bedreigingen. Na onderzoek bleken de anonieme brieven met daarin de bedreigingen afkomstig te zijn van de faxapparatuur van het Amerikaanse UFO magazine!!!

William (Bill) J. Birnes, de eigenaar van UFO magazine, is tevens co auteur van het boek van Corso en gebruikte dus dergelijke bedreigingen (die moesten lijken op bedreigingen afkomstig van geheime diensten of duistere personages) om zijn eigen (wellicht financiële) zaakjes te beschermen. Het was ook het UFO magazine van Birnes dat een complete karaktermoord op Dan Burisch uitvoerde, nadat Burisch weigerde aan de leugendetector van Birnes verbonden te worden. En nu weer dit soort vreemd gedrag. Hoe serieus moet je dat magazine nog nemen?



Nog een Google Video van groot belang, hier vertelt de zoon (ook met de naam Philip Corso) van kolonel Philip Corso Sr. een aantal interessante voorvallen en gebeurtenissen rondom zijn vader en diens boek 'The Day After Roswell'. Tevens beantwoordt hij vele vragen van het publiek.
http://video.google.com/videoplay?docid=8884059342512777915

Corso’s (Engelstalige) boek kun je bij de Frontier Bookshop bestellen, ga naar de volgende website-pagina, vul daar bij search: Corso in en je krijgt in een onderstaande lijst twee versies van het boek, een pocket versie (pb 8,90 euro) en één met een harde kaft (hb 30,90 euro): http://www.fsf.nl/nfsf/shop/

Met toestemming vertaald

Vertaling: Paul Harmans juli 2006